Veel meer dan een woordenboek

           

De Stelselcatalogus is onderdeel van het Digitaal Stelsel Omgevingswet – Landelijke voorzieningen (DSO-LV). De catalogus wordt ontwikkeld door het Kadaster. “Als ‘grootverbruiker’ moeten de gemeenten kritisch en constructief meekijken,” meent Erwin Oord. “Daarom is de praktijkproef die VNG Realisatie organiseert een heel goed initiatief.”

 

Oord houdt zich voor VNG Realisatie bezig met de bedrijfsarchitectuur van de Omgevingswet voor de gemeenten en is een van de trekkers van de praktijkproef. “De Stelselcatalogus is het digitale woordenboek waarin begrippen uit het Omgevingsrecht staan. Zodat we allemaal weten waar we over praten. Dat lijkt simpel maar dat is het niet. Er zijn bijvoorbeeld verschillen tussen de landelijke, de provinciale en de gemeentelijke ‘taal’. En dan hebben we het nog niet eens over de verschillen binnen en tussen gemeenten. Momenteel bevat de Stelselcatalogus begrippen uit de Omgevingswet, vier algemene maatregelen van bestuur die onder de wet hangen, en een aantal sectorale begrippen: dat zijn er samen ongeveer 600. Daar zullen er nog circa 100 bijkomen voor gemeenten. De vragen die wij als VNG Realisatie in de praktijkproef willen stellen zijn: is de Stelselcatalogus straks bruikbaar voor gemeenten? Kunnen we de begrippen die we voor onze omgevingsplannen nodig hebben vinden? En kunnen we de lijst zelf aanvullen? Dat gemeentelijk perspectief naast het landelijke is noodzakelijk om straks met z’n allen de wet goed uit te voeren.”

 

Harmoniseren

“Een grote gemeente heeft meer dan honderd bestemmingsplannen en verordeningen, elk met eigen begrippen en definities die in de loop van de tijd zijn ontwikkeld en veranderd,” vervolgt Oord. “Best lastig als je vergunningverlener bent, om die allemaal te kennen en uit elkaar te houden. Daar heeft een digitaal woordenboek absoluut meerwaarde. De lijst an sich is nog relatief makkelijk op te stellen, maar de geschiedenis achter de begrippen daarin meenemen is ingewikkelder. De definitie van een bepaald begrip kan op basis van jurisprudentie bijvoorbeeld aangepast zijn. Daarom gaan we al die begrippen inventariseren en kijken waar begrippen geharmoniseerd moeten worden. Het uitgangspunt bij het harmoniseren van de begrippen is overigens niet: dit is het en zo gebruik je het maar. De Stelselcatalogus moet een gezamenlijke lijst bieden, maar gemeenten kunnen voor een begrip een afwijkende definitie hanteren als de lokale context dat vereist. Het moet een ‘levende’ lijst worden die de maatschappelijke ontwikkelingen volgt, bijvoorbeeld nieuwe jurisprudentie. De meerwaarde zit niet in de begrippen sec, maar in de wereld achter een begrip en de relaties tussen de begrippen. ”

 

Afval = vuilnis?

De praktijkproef bestaat uit drie sessies. Op dit moment van schrijven zijn de eerste twee achter de rug. Oord: “In de eerste hebben we besproken wat de Stelselcatalogus moet kunnen om meerwaarde te bieden, in de tweede lag de nadruk op het werken met de software. ‘Als ik afval intik, vind ik dan ook vuilnis als synoniem?’ en ‘is de zoekmachine hoofdlettergevoelig?’. Hierna gaan we onderzoeken hoe we als gemeente een eigen begrippenkader kunnen opbouwen. Maar we willen niet alleen over de inhoud nadenken. We willen in de praktijkproef ook aanbevelingen formuleren over het beheer van de Stelselcatalogus. Hoe houd je bijvoorbeeld definities actueel? Dat is heel belangrijk want een digitale lijst die niet onderhouden wordt is onbruikbaar. Verder denken we na over hoe de integratie moet plaatsvinden tussen de plansoftware die gemeenten gebruiken en de Stelselcatalogus. Zodat gemeenten dat kunnen opnemen in hun programma van eisen voor de leveranciers van plansoftware. We gaan dus alle uitdagingen die gemeenten hebben bij het gebruik van de Stelselcatalogus met elkaar aan in de praktijkproef.”

 

Bij het vuur

Haarlem doet in de persoon van Nanno Brink mee aan de praktijkproef. Hij houdt zich als projectleider Omgevingsplan bezig met de voorbereidingen van de gemeente op de Omgevingswet. “Heel goed dat VNG Realisatie dit organiseert, want de Omgevingswet is een forse operatie waarin onze inbreng niet mag ontbreken. Bestemmingsplannen gaan namelijk straks op in het omgevingsplan. En alleen samen kunnen we er een succes van maken.  We hebben nu de standaard vergelijkbare bestemmingsplannen, met vastgestelde systematiek en een verplichte norm. Ondanks dat onder de Omgevingswet een gemeente veel meer mogelijkheden voor maatwerk krijgt, is het voor de leesbaarheid van het omgevingsplan goed als er een niet-verplichte standaard komt die de gemeente als inspiratie kan gebruiken.  Daarom moeten we als gemeenten dicht bij het vuur blijven en meedenken als er nieuwe standaarden worden ontwikkeld.”

 

 Onder constructie

“De sessies tot nu toe waren zeer nuttig, een combinatie van praten en werken aan de demoversie. Met als rode draad: is het gebruiksvriendelijk en toepasbaar voor gemeenten? Hierna gaan we naar het maatwerk toe. Want elke gemeente heeft unieke locaties waar maatwerk voor nodig is. De Omgevingswet biedt daar door de deregulering ruimte voor. Hier in Haarlem heb je bijvoorbeeld veel beschermde stadsgezichten, dat vraagt op maat gesneden voorschriften en begrippen. Daar moet in de Stelselcatalogus plek voor zijn. Op zo’n manier dat andere gemeenten het, aangepast voor hun eigen situatie, weer kunnen hergebruiken. Dat is inderdaad nog een flinke uitdaging. Je zou kunnen zeggen dat de Stelselcatalogus nog ‘onder constructie’ is, maar ik ben zeer enthousiast over de dingen die we in de praktijkproef doen. Ik heb me in elk geval al opgegeven voor het vervolg!”

 

 

Door: Quita Hendrison